|
7.01 trainingsmethoden.pdf
Er zijn twee basismanieren, waarop judo beoefend wordt, te weten 'randori' en 'kata'.
Er zijn diverse oefen- en trainingsvormen om tot 'randori' (vrij oefenen) te komen, namelijk: - verschillende vormen van 'uchi-komi' (bij herhaling inzetten). Soms komt men in dit verband nog wel eens de naam 'butsu-gari' tegen; - 'yaku-soku-geiko', ook wel alleen 'keiko' genaamd (afspraaktraining-geen tegenstand); - 'kakari-geiko' (de één valt aan, de ander verdedigt). Een training wordt altijd vooraf gegaan door een 'warming-up' en 'ukemi' (valoefeningen).
'Kata' (vorm) is een formeel systeem van vastgestelde oefeningen in 'nage-waza' (werptechnieken) en 'katame-waza' (controle technieken), alsmede in 'atemi-waza' (aanvallen op vitale punten). Bij de 'kata' weet de judoka tevoren precies wat zijn partner gaat doen). Hoewel vele judoka dit onderschatten zijn de kata als studieobject van groot belang, omdat alle technieken op de juiste wijze moeten worden uitgevoerd. De kata geven de judoka de mogelijkheid zich te verdiepen in de juiste uitvoering.
De grondlegger van het 'Kodokan-judo', Jigoro Kano, omschreef de bedoeling van de kata als volgt: 'De kata vormen het element van schoonheid in het judo. In de vormen van het kata belichaamt zich de geest van het judo, zonder welke het niet mogelijk is zich bewust te worden van het doel dat men nastreeft.'
De 'Kodokan' kata zijn:
|
Nage-No-Kata
|
Vormen van werpen
|
|
Katame-No-Kata
|
Vormen van controle
|
|
Kime-No-Kata
|
Vormen van gevecht
|
|
Ju-No-Kata
|
Vormen van zachtheid
|
|
Koshiki-No-Kata
|
Vormen van antieke gevechts-handelingen
|
|
Itsutsu-No-Kata
|
Vormen van 'vijf'
|
|
Seiryoku-Zen'yo-Kokumin-Taiiku-No-Kata
|
Vormen van lichamelijke oefening
|
In de 50'er jaren werden in de 'Kodokan' de volgende kata ontwikkeld: Kodokan-Joshi-Goshin-Ho Kodokan-Goshin-Jutsu.
Andere kata zijn:
Gonosen-No-Kata | vormen van overname | Hirano-Kata; omote en ura | vormen van nage-waza met overnames (door de Japanse leermeester Tokio Hirano in de 50'er jaren ontworpen). |
Nage-no-kata
Te-waza | Uki-o-toshi | Ma-sutemi-waza | Tomoe-age | | Seoi-nage | | Ura-age | | Kata-uruma | | Sumi-aeshi | Koshi-waza | Uki-goshi | Yoko-sutemi-waza | Yoko-gake | | Harai-oshi | | Yoko-guruma | | Tsuri-komi-goshi | | Uki-waza | Ashi-waza | Okuri-ashi-barai | | | | Sasae-tsuri-komi-ashi | | | | Uchi-mata | | |
Katame-No-Kata
Osae-waza | Kesa-gatame | | Kata-gatame | | Kami-shiho-gatame | | Yoko-shiho-gatame | | Kuzure-kami-shiho-gatame | | | Shime-waza | Kata-juju-jime | | Hadaka-jime | | Okuri-eri-jime | | Kata-ha-jime | | Gyaku-juji-jime | | | Kansetsu-waza | Ude-garami | | Ude-hishigi-juji-gatame | | Ude-hishigi-ude-gatame | | Ude-hishigi-hiza-gatame | | Ashi-garami |
Kime-No-Kata
Idori: | Ryote-dori | Ude-hishigi-waki-gatame | | Tsukkake | Hara-gatame | | Suri-age | | | Yoko-uchi | Kata-gatame + atemi | | Ushiro-dori | Seoi-otoshi + atemi | | Tsukkomi | Shime-waza + hara gatame | | Kiri-komi | Ude-hishigi-waki-gatame | | Yoko-tsuki | Shime-waza + hara-gatame | | | | Tachi-ai: | Yote-dori | Ude-hishigi-waki-gatame | | Sode-dori | Atemi + o-soto-gari | | Tsukkake | Hadaka-jime | | Tsuki-age | Ude-hishigi-waki-gatame | | Suri-age | Atemi + uki-goshi | | Yoko-uchi | Okuri-eri-jime | | Ke-age | Ke-age | | Ushiro-dori | Seoi-o-toshi + atemi | | Tsukkomi | Ude-hishigi-waki-gatame | | Kiri-komi | Ude-hishigi-waki-gatame | | Nuki-kake | Kata-hajime | | Kiri-oroshi | Hara-gatame |
Ju-No-kata Ik-kyo | Ni-kyo | San-kyo | | | | Tsuki-dashi | Kiri-oroshi | Obi-tori | Kata-oshiryo | Kata-oshi | Mune-oshi | Ryote-dori | Naname-uchi | Tsuki-age | Kata-mawashi | Katate-dori | Uchi-oroshi | Ago-oshi | Katate-age | Ryokan-tsuki |
Koshiki-No-Kata
Tai | Uchi-kudaki | Mi-kudaki | Yume-no-uchi | Tani-otoshi | Kuruma-gaeshi | Ryoku-hi | Kuruma-daoshi | Mizu-iri | Mizu-guruma | Shikoro-dori | Tyusetsu | Mizu-nagare | Shikoro-gaeshi | Saka-otoshi | Hiki-otoshi | Yudachi | Yuki-ore | Ko-daore | Taki-otoshi | Iwa-nami | mi-kudaki | | |
Kodokan-Goshin-Jutsu (shin-kime-no-kata)
Ryote-dori | Naname-uchi | Furi-age | Hidari-eri-dori | Ago-tsuki | Furi-oroshi | Migi-eri-dori | Gannen-tsuki | Morote-zuki | Kata-ude-dori | Mae-keri | | Ushiro-eri-dori | Yoko-keri | Shomen-zuke | Ushiro-jime | | Koshi-gamae | Kake-dori | Tsukkake | Haimen-zuki | | Shokozuki | | | Naneme-zuki | |
Gonosen-No-kata
O-soto-gari | O-soto-gari | Hiza-guruma | Hiza-guruma | O-uchi-gari | O-uchi-gaeshi | De-ashi-barai | De-ashi-barai | Ko-soto-gake | Tai-otoshi | Ko-uchi-gari | Hiza-guruma | Kubi-nage | Ushiro-goshi | Koshi-guruma | Uki-goshi | Hane-goshi | Sasae-tsuri-komi-ashi | Harai-goshi | Utsuri-goshi | Uchi-mata | Sukui-nage | Seoi-nage | Sumi-gaeshi |
Kodokan-Go-Kyo De Kodokan-Go-Kyo, vijf instructieseries, geformeerd door de Kodokan (Go = 5, Kyo = principe), worden beschouwd als sleutel voor de studie van nage-waza (werptechnieken). Deze instructieseries omvatten elk 8 technieken, geselecteerd uit de vele bestaande werptechnieken en zijn bedoeld als basisveersysteem. Door Japanse leermeesters worden niet altijd in elke serie dezelfde werptechnieken behandeld. In het officiële 'Illustrated Kodokan Judo' en in het boek van K. Mifune 'Canon of Judo' bijvoorbeeld zijn afwijkingen te constateren. Naast deze Go-Kyo geeft de Kodokan voor de studie van katame-waza (controletechnieken) nog een basis van 16 technieken voor de beginnende judoka.
Judosystematiek Kawaishi Mikonosuke Kawaishi heeft in Europa (Frankrijk) ervaren dat Japanse benamingen, alsmede het officiële Kodokan-Go-Kyo-overzicht erg moeilijk voor zijn leerlingen te begrijpen waren. Hij heeft daarom teruggegrepen naar een tweede leerstofoverzicht van de Kodokan. In plaats van de Japanse nomenclatuur te gebruiken heeft hij de diverse technieken genummerd. Er zijn nog steeds vele voorstanders van de Kawaishi-methode, waarvan de indeling bestaat uit 15 been- en 15 heupworpen, 6 schouderworpen, 9 armworpen en 15 offerworpen. De controletechnieken werden onderverdeeld in 17 houdgrepen; verwurgingen, bestaande uit twee groepen van respectievelijk 4, 3, 4, 4, 5 en 5 technieken. Een optelsom leert dat het hier om totaal 131 handelingen gaat. In vergelijking tot de 56 basistechnieken van het Kodokan-Go-Kyo dus heel wat meer. Hierbij moet men echter wel bedenken dat vele technieken van het Kawaishi-systeem in feite variaties zijn op deze 56 basistechnieken.
Koizumi-indeling Deze indeling is het minst bekend in Nederland. Gunji Koizumi startte op 21-jarige leeftijd in Liverpool met jiu-jitsuonderricht, vertrok een jaar later naar de Verenigde Staten en keerde in 1910 terug naar Engeland, waar hij in Londen de 'Budokwai Dojo' stichtte. Hij ontwikkelde een eigen leermethode, waarbij hij de technieken groepeerde nar de basis van de technische principes. In de werptechnieken onderscheidde hij: worpen met een cirkelbeweging; steunpuntworpen; maaiende/vegende (blokkerende) worpen. Bij de controletechnieken maakte hij bij de armklemmen het onderscheid van overstrekking en verdraaiing van de elleboog, terwijl hij de verwurgingen rangschikte als handelingen op het strottenhoofd, de halszenuw en de halsslagader.
Het leerplan Geesink Anton Geesink, 10e Dan en de eerste niet-Japanner die zowel Wereld- als Olympisch kampioen is geworden in de judosport, heeft na zijn wedstrijdperiode opnieuw de aandacht weten te trekken met zijn leersysteem. Het jaar 1968 betekent voor hem, althans met betrekking tot zijn activiteiten als judoka, een duidelijk keerpunt. Dit vooral, omdat hij zich vanwege zijn benoeming tot judodocent aan de Amsterdamse Academie voor Lichamelijke Opvoeding wilde bezinnen op zijn nieuwe taak. Hij deed naar zijn zeggen enkele verbijsterende ontdekkingen. Volgens Geesink zijn er vele tegenstrijdigheden in de Japanse nomenclatuur; hij verwerpt zowel het officiële Kodokan-Go-Kyo systeem als de methode van Kawaishi; het gradensysteem is uit de tijd, de groetetiquette is vol valse mystiek, terwijl de wedstrijdreglementen de judoka onvoldoende zouden beschermen. Zijn tweede kritiekpunt, vooral geuit via de moderne communicatiemiddelen, richt zich op zijn collega-leraren, die het naar zijn mening volkomen fout gedaan hebben. Methodisch werken zij volgens verouderde uitgangspunten, een logische opbouw is er volgens Geesink niet, er wordt veel te veel tijd verdaan met valbreken en met zijns inziens onzinnige en onnodige, niets met judo uitstaand hebbende spelletjes en estafettes. Geesink heeft gezocht naar nieuwe wegen en kwam tot enkele nieuwe hulpbegrippen: werkarm, hulparm en speelarm; werkbeen, hulpbeen en speelbeen. Een werkarm verandert nooit van positie, ongeacht duwen of trekken, draaien of heffen. Een speelarm daarentegen kan van positie en pakking veranderen. Een speelarm kan soms ook werkarm worden. Een werkbeen maakt de techniek voor 90% en kan tevens als speelbeen fungeren. Hieruit vloeit, aldus Geesink, een zich 'zomaar als vanzelf' aandienen van nieuwe worpen en grepen voort. Geesink probeert tot inzichtelijk leren van judo te komen.
Zijn werkwijze is als volgt: 1. Aanleren van controletechnieken op de mat in liggende of zittende positie, zodat de judoka vertrouwd raakt met de mat. 2. Beginfase van het werpen of tachi-waza, waarbij hij zegt in korte en snelle tijd drie valbreekrichtingen te kunnen aanleren, namelijk achterover, zijwaarts en voorover. In deze niet-judotechnische serie gebruikt hij drie judotechnieken, namelijk o-soto-gari, de-ashi-barai en hiza-guruma, waarbij de vallende leerling zelf zijn snelheid bepaalt en de partner alleen als steunpunt en helper fungeert. 3. Werptechnieken met behulp van de speelarm, zoals uki-goshi (drijvende heupworp), o-goshi (grote heupworp) in drie variaties, koshi-guruma (heupwiel), seoi-nage (schouderworp), sukui-nage (lepelworp), te-uchi-mata (arm-binnendij-worp), ushiro-goshi (heupworp), utsuri-goshi (wissel-heupworp), kata-guruma (schouderwiel). Geesink wijst er nadrukkelijk op, dat bij het aanleren van deze werptechnieken steeds aan drie voorwaarden moet zijn voldaan: a. Er moet een fout gemaakt worden door de partner. b. De werper (tori) moet kunnen zien dat zijn partner een labiele positie heeft ingenomen, met andere woorden: uit balans is geraakt. c. De partner moet in beweging zijn, want judo dient zonder kracht uitgevoerd te worden. 4. Werptechnieken met behulp van het speelbeen. Geesink wijst eerst op verschillende manieren van instappen van de benen en komt dan tot de volgende technieken: Tsuri-komi-goshi (liftend-trekkende heupworp), tai-otoshi (lichaamsworp), harai-goshi (zwiepende heupworp), uchi-mata (binnendij-worp), hane-goshi (sikkel-heupworp), ashi-guruma (beenwiel), o-uchi-barai (grote binnenwaartse beenveeg), tomoe-nage (cirkelworp), sumi-gaeshi (hoekworp). In het aanvankelijke leerplan werkte Geesink met drie worpenseries, elk bestaande uit vier technieken. In zijn boek 'Judo in evolutie' heeft Geesink echter de eerste serie sterk uitgebreid en de tweede en derde serie technieken samengetrokken. 5. Thans gaat Geesink over naar de indeling van de technieken in verschillende groepen, zoals de groep barai (beenvegen), de groep gari (beenmaaien). 6. Renraku-waza of verschillende combinatiemogelijkheden. 7. Gonosen of profiteren van een uitgelokte fout. 8. Kata als een vorm van technische verfijning.
Als kanttekening geeft Geesink het volgende aan: - Een rechts georiënteerde judoka leert het gemakkelijkst rechts, dus een links georiënteerde judoka dient links te kunnen en mogen werken. - De conditie dient opgevoerd te worden met judogeëigende trainingsvormen en niet met bomen- of gewichtentraining. - Het is niet nodig dat iedereen alle technieken leert. Een grote en een kleine man hebben elk hun eigen specifieke techniek en mogelijkheid van het toepassen van grepen. - Er dient steeds zo snel mogelijk van statisch naar dynamisch judo te worden omgeschakeld.
Anton Geesink heeft in zijn systeem een sterk pragmatische gedachte uitgewerkt en alles overboord gegooid wat hem niet nuttig toescheen. Er valt over dit systeem natuurlijk te discussiëren, en dat is dan ook reeds in ruime mate gedaan. Het valt niet te ontkennen dat er een lijn in zit, doch evengoed zijn er vele andere wegen mogelijk. Wel is het te betwijfelen of welke methode dan ook onmiddellijk een kampioen zal opleveren. Hiervoor komt veel meer kijken. Er zijn wat dat betreft voorbeelden te over. Wel komt Geesink de eer toe als eerste in de wereld met een uitgewerkte methode, bedoeld als methodisch-didactisch plan voor het judo-onderwijs, te zijn gekomen. Geen enkel ander boek gaf omtrent deze materie ook maar enige informatie. -- December 1996 |